2e stereisen

1. De betekenis en geschiedenis kennen van de Nederlandse vlag en weten hoe en waarom deze moet worden gegroet.

In 1568 begon in de Nederlanden de oorlog tegen Spanje. De Nederlanden werden in die tijd geregeerd door de spaanse koning. Omdat de nederlanders ontevreden waren over zijn regering, kwam men in opstand. Prins Willem van Oranje leidde het verzet.
De eerste overwinning werd in 1572 behaald door de Watergeuzen. Zij vielen met hun schepen Den Briel aan en bevrijdden de stad van de spanjaarden. Deze watergeuzen voerden volgens oud gebruik van ons zeevolk een vlag in de kleuren van de admiraal, Prins Willem van Oranje.

Het wapen van het prinsdom Oranje draagt op een gouden schild een blauwe jachthoorn met zilver(wit) beslagen en voorzien van een rood koord. Daar het goud van het schild niet werd meegeteld, waren dus de wapenkleuren van de Prins, rood, wit en blauw.
Deze vlag, die op de schepen gehesen werd, had dus eigenlijk ook rood, wit en blauw moeten zijn, maar omdat de naam van de prins aan een kleur deed denken, werd in plaats van rood, oranje toegepast. Zo ontstond de prinsenvlag met het “oranje-bleu”. Later werd het rood toch meer gebruikt en nu is de officiële vlag: rood-wit-blauw. Wanneer de Nederlandse vlag bij een plechtigheid wordt gehesen, ga je in de houding staan en salueer je terwijl je naar de vlag kijkt. Als de vlag wordt neergehaald, b.v. aan het einde van een hordemiddag, blijf je netjes in de houding staan, totdat de vlag beneden is.

De vlag hijsen:
Wanneer akela de hordetroep vraagt om de vlag te hijsen, gaan twee welpen naar de vlag toe, die al klaar is om gehesen te worden. Je gaat zo staan, dat het touw gespannen is; dan pas omhoog hijsen. De welp die de vlag gehesen heeft gaat na het vastmaken een paar passen achteruit. Zij groeten de vlag en daarna de akela (oftewel degene die om de vlag vroeg.)

2. Een kompas weten te gebruiken.

Voor de eerste ster heb je de acht windstreken van het kompas geleerd. Nu moet je leren hoe een kompas werkt. Als je de opdracht krijgt 40° om te lopen, dan zoek je eerst de 40 op. Je draait dit getal voor de pijl op het kompas. Nu moet je het kompas net zolang draaien tot de noordpijl (rode bewegende pijl) in de getekende pijl valt. Je volgt de richting van de eerst genoemde pijl. Oefen dit maar op de horde. Je kunt ook de opdracht krijgen de richting van een bepaald voorwerp te schieten. Je richt de pijl, die op het kompas getekend is, op het voorwerp. Je draait de cirkel met graden net zolang tot de noordpijl in de getekende pijl valt. Bij de eerstgenoemde pijl kun je nu de graden aflezen. Oefen dit ook maar eens.

3. De letters van het semafoor-alfabet kunnen seinen en geseinde woorden kunnen lezen.

Voor je semafoor begint te leren, moet je goed bedenken, wat seinen eigenlijk betekent. Het betekend, dat je een boodschap zendt aan iemand, die buiten het bereik van je stem is. Het is heel moeilijk om een duidelijk, uitvoerig bericht aan iemand te zenden, zonder dat je er met hem over kunt spreken. Bij het semafoor-seinen gebruik je twee vlaggen. De kleuren van de vlaggen zijn zo gekozen, dat je ze goed kunt zien. De vlaggen zijn rood-geel. Let voor je begint te seinen op je houding en die van de stokken.
Je hoeft de letters niet uit je hoofd te leren, maar ze van papier af kunnen seinen. Denk erom dat degene die tegenover je staat het in spiegelbeeld ziet. Oefen desnoods voor de spiegel.

4. De kruissjorring kunnen maken.

De kruissjorring begint met een mastworp. De mastworp leg je om de steunpaal. De andere paal leg je er gekruisd op. Je gaat drie keer om de palen heen, daarna ga je met het touw drie maal tussen de palen door (woelen). Je legt ten slotte weer een mastworp om een paal.

5. Een eenvoudig plakboek of verzameling aanleggen.

Je kunt plaatjes van een onderwerp dat je belangstelling heeft zoals dieren, sport, schepen, auto’s enzovoort verzamelen. Je plakt die netjes in een schrift of album. Er zijn natuurlijk nog veel meer dingen, die je kunt verzamelen: stikkers, suikerzakjes, luciferdoosjes. Zorg dat je verzameling er netjes en overzichtelijk uitziet.

6. Weten om te gaan met een zakmes.

Een zakmes moet je altijd dicht vervoeren, loop dus nooit met een open zakmes. Wanneer je het mes gaat gebruiken open je het mes. Snij altijd van je af en nooit naar je toe. Leg het stuk hout waarin je gaat snijden niet op je been, maar op de grond of houd het vast. Klap het mes na gebruik direct weer in. Alleen een dicht zakmes is een veilig mes!

7. EHBO.

Weten hoe en waarom je je voeten moet verzorgen en hoe je blaren moet behandelen: Wanneer je een blaar op je voet krijgt, moet je er voorzichtig mee zijn en oppassen dat hij niet kapot schuurt. Laat door een volwassene de blaar eventueel doorprikken en er jodium op doen. Blaren zijn vaak het gevolg van te wijde schoenen. Dit is te voorkomen door dikkere sokken of een extra paar sokken aan te trekken. Maar neem nooit te nauwe schoenen. Je kunt er niet ver mee lopen, omdat je voeten onder het wandelen meestal iets dikker worden. Op gymschoenen of rubberlaarzen moet je beslist niet de hele dag lopen.

Een vingerwondje kunnen ontsmetten en verbinden: Bij de eerste ster heb je geleerd, hoe je een kleine schaafwond moet behandelen, lees dit nog eens door. Op een vingerwondje doe je jodium of dermatol en daarna een steriel gaasje. Dit blijft natuurlijk niet zomaar zitten, hieromheen windt je verbandgaas. Voordat je zo’n verbandje om een echte wond doet, moet je eerst goed oefenen op een gezonde vinger.

Weten hoe je een brandwond moet behandelen: Bij licht verbrandingen, waar de huid alleen maar rood is, helpt het vaak tegen de pijn om deze plek onder koud stromend water te houden. Ernstige verbrandingen verbind je voorzichtig (niet te stijf) en dan naar de dokter. Gebruik vooral geen zalf!

8. Schoenen kunnen poetsen en aardappels kunnen schillen.

9. Gevaar van een bijl en vuur kennen.

Speel nooit met vuur en laat een brandend iets (b.v. een kaars) nooit onbeheerd achter. Een bijl of een ander scherp gereedschap moet je altijd veilig opbergen, zodat iemand zich er niet aan kan bezeren. Als je met een bijl loopt, moet je altijd de scherpe kant in je hand houden. Laat een bijl nooit slingeren! Zet hem altijd in een houtblok!

10. De volgende vogels kunnen herkennen.

Merel, Huismus, Pimpelmees, Spreeuw en Koolmees.

11. Een fietsband kunnen oppompen en kunnen plakken.

Je kunt thuis het beste eerst eens samen met iemand oefenen. Een fietsband plakken is geen makkelijke opgave. Toch is het belangrijk dat je het kunt. Een fietsband oppompen zal bij iedereen wel lukken. Denk er aan dat je bij het aftekenen zelf de materialen meeneemt. Ga je zelf eens fietsen en krijgt je onderweg een lekke band, dan zul je ook die materialen nodig hebben. Vraag desnoods of je een eigen setje op je fiets mag hebben.