1e stereisen

1. Het eerste couplet van het Wilhelmus kennen.

Elk land heeft een volkslied dat bijna iedereen kent. Bij de belangrijke gebeurtenissen wordt het gespeeld en gezongen. Nederland heeft het “Wilhemus”. Het is heel oud, bijna vierhonderd jaar, en het werd gemaakt voor de eerste Prins van Oranje, Prins Willem. Als je probeert de woorden van het lange gedicht te lezen, zie je, dat men lang geleden anders sprak en schreef dan wij nu. Dat maakt het wel wat moeilijk, maar toch begrijp je, dat het de Prins is die spreekt: “Ik, Willem van Nassau, ik ben een Nederlander en blijf het vaderland trouw tot in de dood. Ik ben een dapper vorst van Oranje, en de koning van Spanje heb ik steeds geëerd”. Wanneer het Wilhelmus gespeeld wordt, ga je netjes rechtop staan, je uniformpet houd je op.

Wilhelmus van nassauwe
Ben ik van duitsen bloed;
Den vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den doet.
Een prince van oranje
Ben ik vrij onverveerd,
Den koning van hispanje
Heb ik altijd geëerd.

(Duitsen = Nederlands,Vrij onverveerd = heel dapper)

2. De 8 streken van het kompas kennen.

Het kompas heeft een kleine wijzerplaat, net als een horloge, maar het heeft maar één wijzer, die altijd naar het Noorden wijst.

De vier windstreken zijn Noord, Oost, Zuid en West. Daartussen liggen Noordoost, Zuidoost, Zuidwest, en Noordwest.

3. Vier oefeningen doen.

a) Kopje duikelen
Voorover kopje duikelen en daarna weer op je voeten komen.

b) Haasje over springen
Iemand gaat bok staan en daar moet je over heen springen. Je handen zet je op de rug van de bok.

c) Touwtje springen
Tien maal vooruit en tien maal achteruit touwtje springen. Je moet zelf het touw draaien.

d) Hinkelen
Een acht hinkelen, zowel op je linker- als op je rechtvoet.

e) Boeken op je hoofd
Met drie losse boeken op het hoofd 5 meter rechtop lopen, omdraaien, hurken en weer teruglopen.

4. Platte knoop en mastworp leggen en toepassen.

a) De platte knoop
Twee touwen, die even dik zijn worden aan elkaar geknoopt met de platte knoop. De knoop glijdt niet en kan gemakkelijk weer los gemaakt worden.

b) De mastworp
Met de mastworp maak je een touw om een paal vast.

5. Een voorwerp maken van waardeloos materiaal.

Maak iets van materiaal dat anders weggegooid wordt.

6. Klokkijken.

Op de wijzerplaat van een klok zie je, dat er twee wijzers zijn (een grote en een kleine). De grote wijzer wijst de minuten aan en de kleine wijzer de uren aan. Er zijn ook digitale klokken.

7. EHBO (Eerste hulp bij ongelukken).

Een kleine schaafwond behandelen: Wanneer je je schaaft moet de wond altijd goed schoongemaakt worden. Dit kan bijvoorbeeld met jodium gedaan worden. De wond wordt bedekt om te voorkomen dat er vuil in komt. Je kunt de wond bedekken met een pleister of met een verbandgaasje. Wanneer je een pleister of verband op een wond legt mag je nooit met je handen aan het gedeelte komen dat op de wond komt te liggen.
Bij E.H.B.O is het heel belangrijk dat je hygienisch bent (dus schone handen!). Oefen met het plakken van een pleister.

8. Het hordehol schoon houden.

Je kunt helpen bij het schoonhouden van het hordehol door te helpen bij het corvee. Natuurlijk maak je zelf geen onnodige troep (zoals papier op de grond gooien). Wanneer je rotzooi in en om het troephuis ziet liggen, pak het dan op en gooi het in een afvalbak. Loop er niet met een boog omheen.

9. De gevaren van elektriciteit weten.

Een stekker haal je uit een stopcontact door de stekker beet te pakken. Nooit aan het snoer trekken. Nooit met natte handen aan een snoer, een stopcontact of een schakelaar komen.
Wanneer je een kapot snoer of stekker ziet, waarschuw dan direct iemand. Doe altijd voorzichtig met elektriciteit.

10. Een dier bestuderen.

Een dier kiezen en hiervan een aantal bijzonderheden opschrijven of weten te vertellen en een afbeelding van het dier maken. Wanneer je zelf een dier hebt, is deze eis niet moeilijk. Schrijf op wat het dier eet en hoe je het moet verzorgen. Zoek ook wat plaatjes op en plak ze bij je verhaal. Je mag dit alles ook vertellen. Wanneer je geen huisdier hebt kun je vast wel een dier uitzoeken waar je iets van weet te vertellen.

11. Bomen herkennen.

Je moet een eik, beuk, spar, den en kastanjeboom kunnen herkennnen, maar ook hun bladeren en eventuele vruchten.

12. Veilig kunnen fietsen en lopen in het verkeer.

Om veilig te kunnen fietsen en/of te kunnen lopen in het verkeer zul je vijf verkeersborden en een aantal verkeersregels moeten kennen.

Lopen:
Loop op de voetpaden. Houdt zoveel mogelijk rechts. Loop op een buitenweg, waar geen voetpad is aan de linkerzijde. Je kunt het verkeer dan beter zien aankomen en tijdig uitwijken. Kijk voor het uitsteken eerst naar links, dan naar rechts en dan weer naar links. Steek nooit schuin over. Wanneer er geparkeerde auto’s langs de weg staan kijk dan extra goed uit. Let op of de auto niet gaat vertrekken, loop tot de rand van de auto en kijk daar uit voordat je oversteekt.

Fietsen:
Maak zoveel mogelijk gebruik van fietspaden. Fiets altijd rechts van de weg. Maak naar rechts een kleine en naar links een grote bocht. Eerst achterom kijken of de wegvrij is, dan je hand uitsteken en daarna de bocht nemen. Rijd nooit met meer dan twee fietsen naast elkaar. Fietsers mogen elkaar niet vasthouden. Laat je ook niet voorttreken door een ander. Houd tenminste één hand aan het stuur vast. Wanneer je in een groep rijdt, zorgt ervoor dat je afstand houdt. Je fiets moet goed in orde zijn! Zorg dat je in het donker goed te zien bent!

Verkeersborden:
Er zijn verschillende soorten verkeersborden. Ronde borden geven aan dat je iets moet of juist niet mag. Driehoekige borden geven gevaar aan.