hit2009-20Ooit verdwaalt geweest? Heb je wel eens met een kaartenboek op schoot gezeten en niet geweten wat je er mee aan moest? Hier komen alle tips & truckjes om je hier geen zorgen meer over te hoeven maken. Ook staan hier een aantal links naar handige websites met veel tips.

Kaarten

Je kent vast wel de verschillende soorten kaarten. Er zijn wandelkaarten, fietskaarten, autokaarten, zeekaarten, ruimtekaarten enz. Bij scouting gebruiken we de stafkaart. We noemen deze ook wel topografische kaart. Op deze kaart staat alles in de omgeving in een verkleinde weergave van de werkelijkheid. Dit is erg handig, want elk bosje, vennetje of bospaadje staat er op. Deze kaarten worden gemaakt met behulp van luchtfoto’s. Elk gebied heeft zijn eigen kaart, met een uniek nummer. Door deze nummers kun je kaarten makkelijk naast elkaar leggen en kun je met behulp van de inhoud makkelijk een plaats opzoeken.

Algemeen

Schaal
De meeste kaarten die we bij scouting gebruiken hebben een schaal van 1:25 000. Dat wil zeggen dat 1 centimeter op de kaart in werkelijkheid 25 000 centimeter, ofwel 250 meter is. Gelukkig zijn de lijnen die je ziet op deze kaarten vier centimeter breed, waardoor het verschil van elke lijn een kilometer is. Andere schalen die je tegen kunt komen zijn 1:50 000 (1cm = 500m) en 1:100 000 (1cm = 1km).

Legenda
Niet alles op een kaart kan precies worden nagetekend. Op kaarten wordt daarom gebruik gemaakt van een soort symbolen. De verklaring van deze symbolen heet ookwel ‘legenda’. De legenda wordt altijd vooraan in een kaartenboek afgedrukt. Als je zo’n legenda eens goed bestudeerd zul je zien hoeveel informatie er eigenlijk op de kaart wordt weergegeven!

Hoogtelijnen
Op de kaart zie je vaak kronkelige bruine lijnen. Deze noemen we hoogtelijnen. Ze verbinden alle punten die op dezelfde hoogte liggen. Meestal gebeurd dit om de 5 of 10 meter. Als je veel van deze lijnen dicht bij elkaar ziet, dan betekent dit dat het gebied erg stijl is. Zo kun je van te voren zien of je veel moet stijgen of dalen. Je kunt deze informatie gebruiken wanneer je bijvoorbeeld een gebied wilt ontwijken. In Nederland zul je dit niet heel veel tegenkomen, maar in het buitenland, zoals in de Franse Alpen kan dit erg handig zijn!

Orienteren
De kaart gebruik je meestal om te bepalen waar je bent en waar je heen wilt. Dit noemen we ook wel orienteren. Je moet daarbij altijd eerst weten hoe je een kaart moet vasthouden. Dit klinkt misschien apart, maar het is belangrijk om te weten dat je een kaart altijd in de richting van het noorden moet houden. De bovenkant van een kaart wijst ook meestal naar het noorden We noemen dit ook wel ‘de kaart op het noorden leggen’ of ‘orienteren’. Als je een kompas bij je hebt is het dan gemakkelijk om je route te bepalen.

Kleuren

Op een kaart kom je vaak verschillende kleuren tegen. Dit ziet er niet alleen leuk uit, maar is vooral handig. Als je een beetje let op de kleuren is het vaak makkelijk om te zien waar je bent op de kaart. Een donkergroen vlak is een bos, een lichtgroen vlak is een grasveld. Als je let op de kleuren, hoogtelijnen en symbolen zul je de plek waar je bent snel herkennen op een kaart. Je zult dan waarschijnlijk minder snel verdwalen. De route kan dan nog leuker zijn! Topografische kaarten worden uitgegeven in ‘kaartbladen’, waarbij je van een bepaald gebied een kaart kunt kopen met een bepaald kaartnummer. De ANWB geeft ook ‘topografische’ atlassen uit waarbij alle kaarten van een provincie zijn samengevoegd in een handig boek.

Coördinaten en positie op de kaart

Kaarten zijn onderverdeeld in vierkantjes, deze hebben allemaal een nummer gekregen. Deze nummers bestaan uit (meestal) drie cijfers. Onderaan de kaart vind je de eerste drie. Dit is het nummer dat bij de westlijn (linker lijn) van het vierkant hoort. Bijvoorbeeld 236. Dan schrijf je op 236..-….. dan vind je aan de zijkant de volgende drie. Dit is het nummer dat hoort bij de zuidelijn (onder) hoort, bijvoorbeeld 376. Die vul je in na het streepje. Dus dat wordt 236..-376.. De open gebleven cijfers vind je door te meten met een kaarthoekmeter. Hier zie je precies hoe je dat doet. In de praktijk wordt vaak een nummer gegeven met een kortere code voor het coordinaat. De eerste cijfers zijn dan weggelaten (dat wordt in dit voorbeeld dus 36..-76.. Je positie op de kaart vind je door goed naar je omgeving te kijken. Let tijdens het lopen goed op en kijk goed naar de vorm en soort van de weg. Zoek herkenbare punten zoals een bruggetje of een weiland of bos met een bepaalde vorm.

Kompas

Het kompas helpt je bij het orienteren. Een kompas heeft een naald die altijd naar het noorden wijst. dit is superhandig bij het orienteren. Naast het noorden zijn er nog drie andere belangrijke windstreken, namelijk het oosten, zuiden en westen. Tussen deze windstreken liggen een soort sub-windstreken, zoals het noord-oosten (NO). Bij elkaar kunnen we zo spreken over 64 windstreken.

Het kompas is een heel belangrijk instrument voor een verkenner. Het werkt als volgt: het naaldje (de rode kant ervan) wordt door de Noordpool aangetrokken en wijst daardoor altijd naar het noorden. Hierdoor kunnen we dus altijd eenvoudig bepalen waar het noorden is. Aan de hand hiervan bepalen we de richting die we lopen of die van een peiling.

b_123Vier handgrepen:

1. Bepaal de richting op het kompas;
2. Zet de richting over op de kaart;
3. Bepaal de richting op de kaart;
4. Bepaal de richting met het kompas.

Met 1 en 2 zet je een peiling van iets wat je ziet op de kaart. Met 3 en 4 bepaal je de richting die je wilt lopen of kijken.

Lopen met een kompas

Als je weet in welke richting  je op de kaart wilt lopen dan ga je als volgt te werk.

  1. Schiet de richting met het kompas;
  2. Zoek in die richting een herkenbaar punt aan de horizon (een boom, een berkje e.d.);
  3. Loop op dit punt af;
  4. Wanneer je in de buurt van dit punt komt, begin je weer bij 1.

Ontwijken van obstakels

Als er iets in de weg staat, dan moet je daar om heen. Je wilt wel zeker weten dat je weer terug komt op je route. Dat gaat als volgt: Je loopt in een richting van bijvoorbeeld 180 graden.

  1. Bepaal hoeveel graden je van de richting afmoet om om het obstakel heen te komen, bijvoorbeeld 60 graden. Je loopt nu in 240 graden;
  2. Tel het aantal passen in de nieuwe richting, bijvoorbeeld 30;
  3. Draai naar je oude richting minus afwijking, in dit voorbeeld dus naar 120 graden;
  4. Loop hetzelfde aantal passen in deze richting;
  5. Je bent weer op route. Ga verder in de goede richting, 180 graden.

Als het nodig is of makkelijker dan kun je tussen stap 2 en 3 een afstand in de oude richting lopen.

Handige links

De Hiking Site

ScoutQuest.com (is wel gewoon nederlandstalig)

Downloads

Hikeboekje Dit boekje kun je printen en kan je helpen om beter uit de voeten te komen tijdens een hike. Samen met het groene boekje is je echte “woudlopers handboek” bijna compleet!
Rijksdriehoeksstelsel Dit is een moeilijk document dat gaat over de de coördinaten die je treft op stafkaarten (dat zijn de kaarten die je gebruikt tijdens een hike).
Drielagensysteem Heb je het tijdens een hike met guur weer wel eens koud gehad? Het is belangrijk goed na te denken over de kleding die je draagt. In dit handige document vind je daar informatie over!